Home / Nieuws & Blogs / Privacy jurisprudentieblog augustus 2021

Privacy jurisprudentieblog augustus 2021

| 23 augustus 2021
Privacy jurisprudentieblog augustus 2021

Privacy haalt dagelijks het nieuws. Daarbij komen vanzelfsprekend vooral de grotere zaken aan bod. Denk aan gevoelige datalekken, grootschalige hacks of de inzet van (geheime) camera’s. Er is echter veel meer gaande op het gebied van privacy, wat niet altijd het nieuws haalt. Door deze jurisprudentie leren we veel over hoe de AVG uiteindelijk toegepast wordt. In deze blog zetten we diverse uitspraken van de maand augustus op een rij.

1. De buurman zijn recht op “visuele” privacy

Het recht op privacy is niet alleen ingebakken in de AVG, maar ook in andere wetten. In plaats van informationele privacy, gaat het meer om andere soorten privacy.

Hier gaat het om twee buren. De gedaagde heeft achter haar woonhuis een nieuw gebouw geplaatst en verhuurt dit aan derden. Een van deze woonruimten heeft twee doorzichtige vensters in de zijgevel die zich op de erfgrens met de eiser bevindt.

In artikel 5:50 en 5:51 Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat ramen op de erfgrens verboden zijn voor zover ze op het naburige erf uitzicht geven, behalve als ze ondoorzichtig zijn. De eiser zegt dat hierom de gedaagde de vensters dus ondoorzichtig moet maken. Bovendien ervaart hij een inbreuk op zijn privacy, wat volgens eiser genoeg is om de situatie onrechtmatig te maken.

De gedaagde zegt dat er al jarenlang een erfdienstbaarheid (makkelijk gezegd: “Ja jij mag wel gebruik maken van mijn grond/eigendom voor doel X”) is op het vorige gebouw dat op die plek stond. De ramen zijn daarom niet onrechtmatig. In het oude pand zaten ook dezelfde soort ramen. Bovendien kan de huurder helemaal het erf niet zien door zijn lengte.

Volgens de rechter was het niet het idee van deze BW-artikelen dat een situatie pas onrechtmatig is, als de rechter na een belangenafweging daartoe besluit. Tenzij het bijzonder knellend of absurd is, is er geen ruimte voor een afweging of er een inbreuk is op de “visuele” privacy.

De rechter kijkt daarom naar het volgende. Omdat de ramen zich op een hoogte van +/- 178 cm bevinden, zijn ze in principe op ooghoogte. Het argument dat de huurder kleiner is, verandert dat niet. Er is uitzicht op het erf, en de doorzichtige ramen zijn onrechtmatig. Afplakken die boel.

In een poging van de gedaagde om misbruik van bevoegdheid te laten uitspreken, maakt de rechter duidelijk dat het belang op uitzicht op “wolken en betere lichtinval” niet opweegt tot het belang van buurman om geen uitzicht van een derde op zijn erf te hebben. Hiervoor is artikel 5:50BW juist bedoeld.

De erfdienstbaarheid als verdediging neemt de rechter niet aan, omdat de ramen aanzienlijk veranderd zijn in plek, hoogte en grootte. Het is dus niet al jarenlang getolereerd door de eiser.

2. Als er geen bewijs is van toestemming, is de toestemming er dan wel geweest?

Een van de onderwerpen in deze zaak is een eventueel onrechtmatig gemaakte geluidsopname. Voorafgaand aan deze zaak heeft de eiser (een individu) met de verweerder (een belastingkantoor) een hoorzitting gehad over het al dan niet voldoen aan de inzageplicht door de verweerder. Eventueel leidt de hyperlink naar een lege pagina, omdat de uitspraak is verwijderd nadat ik een melding deed dat er een naam niet was geanonimiseerd (wel anoniem nu zeg).

Tijdens de hoorzitting maakte de verweerder een geluidsopname voor het schriftelijk verslag van de hoorzitting. Na het opmaken van het verslag, werd de geluidsopname verwijderd.

In deze rechtszaak stelt de eiser dat de opname in strijd was met het zorgvuldigheidsbeginsel en de verweerder onzorgvuldig handelde door de geluidsopname direct te verwijderen, terwijl de eiser een kopie daarvan verzocht.

Opleiding tot FG/DPO

De verweerder stelt dat de eiser, zoals iedereen bij de hoorzitting, op de juiste wijze toestemming heeft gegeven voor de opname: vrijelijk, ondubbelzinnig en goed geïnformeerd (artikel 7 AVG). Door de verwijdering is de eiser niet in zijn procespositie geschaad, en daarom maakt die verwijdering niets uit.

De rechter overweegt dat in het hoorzittingsverslag staat dat voorafgaand aan de zitting alle deelnemers toestemming gaven voor de verslaggeving, en deze toestemming gaven op voorwaarde dat het verwijderd werd. Geen van de aanwezigen trok toestemming in. Uit de wet (Algemene wet bestuursrecht) die ziet op het maken van deze geluidsopname, volgt niet dat de verweerder geluidsopname moest bewaren. Daarom handelde de verweerder niet onzorgvuldig bij het maken van de opname, noch bij de verwijdering daarvan, zo besluit de rechter.

Deze beredenering kan gek klinken, omdat het omkeerbaar is. Het lijkt zo alsof het noteren van de toestemming namelijk afhankelijk was van de geluidsopname. Als onder dezelfde voorwaarden toestemming was gegeven, maar de notulist heeft het niet opgeschreven (omdat hij geen geluidsopname terugluisterde), zou het dan zo zijn dat omdat de toestemming niet genoteerd was de geluidsopname tegen de zorgvuldigheidsnorm inging?

3. Bankafschriften rechtmatig verzameld

In deze zaak zegt de eiser dat het college van burgemeesters en wethouders (B&W) bewijs vergaarde in strijd met het recht op privéleven (artikel 8 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens). Daarom zou het bewijs onrechtmatig verkregen zijn. Het bewijs moet dan buiten de procedure blijven.

Het gaat om het door B&W opvragen van vier jaar aan bankafschriften. Dit deed zij omdat zij twijfelde of de appellant (deftig woord voor eiser) hen wel volledig had ingelicht ten aanzien van zijn inkomsten. De eiser kreeg namelijk bijstand, maar stortte ook redelijk wat contant geld op de bank. Door die extra inkomsten zou de eiser niet meer in aanmerking kunnen komen voor de bijstand. B&W vindt dat hij deze inkomsten als ‘andere inkomsten’ diende op te geven.

Het staat vast dat B&W een onderzoek mag uitvoeren naar de financiële situatie van een individu en bankschriften mag opvragen over de laatste drie maanden. Als zij door concrete feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan twijfelen aan de juistheid of volledigheid van de informatie van het individu, mag B&W inzage vragen over een langere periode.

Het contact geld kwam uit gokinkomsten, aldus de eiser, waarvan hij geen bewijs had.

Volgens de rechter had B&W genoeg aanleiding om te twijfelen of de informatie van de eiser klopte. Zoals de registratie van meerdere auto’s op de naam van appellant, waarvan hij geen controleerbare gegevens had. Stapsgewijs vroeg B&W meer afschriften op. Naar aanleiding van resultaten met daarop steeds meer grote stortingen van contant geld, heeft B&W steeds meer informatie opgevraagd.

De rechter besluit dat deze onderzoekswijze niet in strijd is met artikel 8 EVRM, terwijl de eiser – door het niet melden van de “gokinkomsten” – wél de inlichtingenplicht schond.

Benieuwd wat er in september 2021 gaat gebeuren? Wij ook. Over een maand zijn we bij u terug met de volgende jurisprudentieblog!