Op 30 april 2026 heeft het Hof van Justitie van de EU (‘HvJ’) een arrest gewezen waarin de auteursrechtelijke handeling van ‘een mededeling aan het publiek’ centraal staat. Het HvJ oordeelde dat het doorgeven van via satelliet ontvangen televisie- en radioprogramma’s naar de kamers van bewoners van een verzorgingshuis via een intern kabelnetwerk geen afzonderlijke ‘mededeling aan het publiek’ vormt in de zin van de Auteursrechtrichtlijn.
In dit blog gaan wij in op de uitspraak en wat de praktische gevolgen ervan zijn. Om de uitspraak te kunnen begrijpen, is het echter belangrijk eerst kort stil te staan bij deze auteursrechtelijke handeling: wat wordt er precies bedoeld met ‘een mededeling aan het publiek’?
Op grond van artikel 1 van de Auteurswet (‘Aw’) heeft een auteursrechthebbende o.a. het recht zich te verzetten tegen een openbaarmaking van zijn werk die zonder zijn toestemming wordt verricht door een derde. In artikel 12 Aw wordt een niet-limitatieve opsomming gegeven van handelingen die onder het openbaarmakingsrecht vallen.
Daarnaast bevat artikel 3 lid 1 van de Auteursrichtlijn een geharmoniseerde vorm van openbaar maken. Op grond van artikel 3 lid 1 van de Auteursrichtlijn heeft een auteursrechthebbende het recht zich te verzetten tegen elke openbaarmaking van zijn werk bestaande uit ‘een mededeling aan het publiek’ die zonder toestemming door een derde wordt verricht. Dit betekent dat de Nederlandse rechter het begrip ‘openbaarmaking’ in de zin van artikel 12 Aw conform de richtlijn moet uitleggen voor zover het gaat om een ‘mededeling aan het publiek’. Dit is echter niet de enige grondslag waarop een auteursrechtinbreuk gebaseerd kan worden; deze inbreukgrond is slechts van toepassing in situaties waarin beschermde werken op afstand toegankelijk worden gemaakt voor het publiek, zonder dat fysieke exemplaren worden verspreid.
Volgens het Hof omvat het begrip ‘mededeling aan het publiek’ twee cumulatieve vereisten. Allereerst moet er sprake zijn van een handeling van ‘mededeling’, oftewel het beschikbaar stellen van auteursrechtelijk beschermd materiaal op zodanige wijze dat het publiek daartoe toegang kan krijgen. Het Hof hanteert een ruime uitleg van dit begrip, waarbij vrijwel elke vorm van doorgifte van een auteursrechtelijk beschermd werk een mededeling kan vormen. Hierbij kan o.a. gedacht worden aan een uitzending via radio of televisie, streaming via internet, beschikbaarstelling op een website of het plaatsen van hyperlinks.
Ten tweede, moet deze mededeling worden gericht tot een ‘publiek’, dat wil zeggen een onbepaald en vrij groot aantal potentiële ontvangers.
Een mededeling aan het publiek wordt echter pas auteursrechtelijk relevant indien deze is gericht op een nieuw publiek óf geschiedt via een wezenlijk ander technisch middel dan de oorspronkelijke mededeling. Onder een ‘nieuw publiek’ moet verstaan worden: een publiek dat de rechthebbende niet voor ogen had bij de oorspronkelijke mededeling. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als een beschermd werk dat normaal gesproken achter een betaalmuur staat, vervolgens door middel van een hyperlink gratis online ter beschikking wordt gesteld voor een breder publiek. Het idee hierachter is dat de auteursrechthebbende controle verliest over de kring van ontvangers, waardoor er sprake kan zijn van een afzonderlijke mededeling aan het publiek waarvoor toestemming van de rechthebbende is vereist.
Bij een ander technisch middel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een televisie-uitzending die wordt opgenomen en vervolgens beschikbaar wordt gesteld via een internet-streamingdienst. Ook dan is er sprake van een (nieuwe) mededeling aan het publiek waarvoor toestemming van de auteursrechthebbende is vereist.
De zaak is als volgt. GEMA, een Duitse collectieve beheersorganisatie voor muziekauteursrechten, spande een zaak aan tegen VHC 2, een exploitant van een verzorgingshuis. GEMA stelde zich op het standpunt dat VHC 2 een licentie nodig had voor de doorgifte van de televisie- en radioprogramma’s naar de kamers van haar bewoners. Het Duitse Bundesgerichtshof wendde zich met prejudiciële vragen tot het HvJ.
Het HvJ oordeelde dat het doorgeven van via satelliet ontvangen televisie- en radioprogramma’s naar de kamers van bewoners van een verzorgingshuis via een intern kabelnetwerk geen afzonderlijke ‘mededeling aan het publiek’ vormt in de zin van de Auteursrechtrichtlijn. Volgens het Hof vormen de bewoners van het verzorgingshuis namelijk geen nieuw publiek; zij behoren reeds tot het publiek waarvoor de door het verzorgingshuis ontvangen televisie- en radioprogramma’s zijn bestemd.
Daarnaast overweegt het Hof dat de uitzending niet via een ander technisch middel wordt doorgegeven. Om die reden is er geen sprake van een mededeling aan het publiek, zodat geen aanvullende licentie of vergoeding is vereist. Het Hof merkt in dit verband op dat deze uitleg voorkomt dat rechthebbenden een hogere vergoeding ontvangen dan waartoe zij gerechtigd zijn.
Met deze uitspraak wordt de lijn uit eerdere rechtspraak doorgetrokken, waarbij een exploitant slechts auteursrechtelijk gehouden is tot een aanvullende vergoeding indien hij door zijn handelen een nieuw publiek bereikt of gebruikmaakt van een wezenlijk ander technisch middel.[1]
Een veel voorkomende vraag is hoe de auteursrechtelijke handeling van een mededeling aan het publiek zich verhoudt tot het publiceren van content op het internet. Daarbij speelt met name het leerstuk van het ‘nieuw publiek’ een belangrijke rol. Van een mededeling aan het publiek kan sprake zijn wanneer auteursrechtelijk beschermd materiaal opnieuw online beschikbaar wordt gesteld aan een publiek dat de rechthebbende niet voor ogen had bij de oorspronkelijke openbaarmaking.
Daarbij geldt als uitgangspunt dat linken naar een publiek toegankelijke website in beginsel is toegestaan, mits het werk daar rechtmatig is gepubliceerd. Dit ligt anders wanneer de inhoud afkomstig is van een afgeschermde of besloten omgeving, zoals een website die zich achter een betaalmuur bevindt of alleen voor leden toegankelijk is. In dat geval kan het beschikbaar stellen van die content wél een mededeling aan een nieuw publiek opleveren waarvoor toestemming van de rechthebbende vereist is.
Deze vraag kan eveneens spelen in het kader van scraping. Het verzamelen van auteursrechtelijk beschermd materiaal zonder dit verder openbaar te maken, vormt doorgaans geen mededeling aan het publiek, al kan mogelijk wel sprake zijn van een reproductie. Het reproductierecht blijft in dit blog verder buiten beschouwing. Wanneer gescrapete content echter opnieuw online wordt gepubliceerd, bijvoorbeeld op een eigen website of via een openbaar social media-account, kan wél sprake zijn van een mededeling aan een nieuw publiek. Dat geldt temeer wanneer de oorspronkelijke bron niet voor iedereen toegankelijk was. Bij publicatie binnen een besloten of privéomgeving is dit lastiger te beoordelen.
Bij het publiceren van content op het internet moet rekening gehouden worden het exclusieve recht van de auteursrechthebbende om zich te verzetten tegen een mededeling aan het publiek die wordt verricht door een derde zonder toestemming. Of er in een concreet geval sprake is van een mededeling aan het publiek, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De nieuwe uitspraak bevestigt in ieder geval dat daarbij voorlopig nog moet worden beoordeeld of de derde door zijn handelen een nieuw publiek bereikt of gebruikmaakt van een wezenlijk ander technisch middel.
Heb je vragen na het lezen van dit blog? Neem dan gerust contact met ons op. Wij helpen je graag.
[1]Zie o.a. HvJ EU 15 maart 2012, C‑135/10 (SCF / Marco Del Corso).
Meld je nu aan voor één van de nieuwsbrieven van ICTRecht en blijf op de hoogte van onderwerpen zoals AI, contracteren, informatiebeveiliging, e-commerce, privacy, zorg & ICT en overheid.