Data & Privacy jurisprudentieblog | augustus 2026

In dit blog worden twee recente ontwikkelingen in de privacyrechtspraak besproken. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (“Het Hof”) verduidelijkte wanneer informatie over dopingovertredingen kwalificeert als "gegevens over gezondheid" in de zin van artikel 9 AVG. Daarnaast bespreken wij een reeks uitspraken waarin Nederlandse rechters voor het eerst het Brillen Rottler-arrest toepassen en verzoekers niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van AVG-rechten.

Dopingsancties en gezondheidsgegevens: de zaak NADA Austria

Op 14 juli 2026 deed het Hof uitspraak in een zaak van vier Oostenrijkse atleten tegen de Nationale Anti-Doping Agentur Austria (NADA) en de Österreichische Anti-Doping Rechtskommission (ÖADR). Centraal stond de vraag of de online publicatie van dopingsancties "gegevens over gezondheid" betreft en daarmee onder het strenge regime van artikel 9 AVG valt.

Wat was er aan de hand?

De vier atleten waren door de Oostenrijkse antidopingautoriteiten bestraft met uitsluiting van sportwedstrijden wegens dopingovertredingen. Op grond van de Oostenrijkse antidopingwet worden dergelijke sancties verplicht online gepubliceerd. NADA plaatst op haar website een lijst met de naam van de sporter, de beoefende sport, de gepleegde overtreding, de opgelegde sanctie en de begin- en einddatum daarvan. De ÖADR publiceert vergelijkbare informatie in persberichten, waarbij ook de naam van de verboden stof wordt vermeld.

In oktober 2021 verzochten de atleten om verwijdering van hun gegevens. Toen NADA en de ÖADR dit weigerden, dienden zij een klacht in bij de Oostenrijkse gegevensbeschermingsautoriteit. Zij voerden aan dat de gepubliceerde informatie "gegevens over gezondheid" betrof, waardoor publicatie aan strengere eisen zou moeten voldoen. De klacht werd afgewezen, waarna de atleten in beroep gingen en prejudiciële vragen werden gesteld aan het Hof.

Het oordeel van het Hof

Het Hof herhaalt wederom dat het begrip "gegevens over gezondheid" ruim moet worden uitgelegd. Persoonsgegevens kunnen als gezondheidsgegevens worden aangemerkt wanneer daaruit "door het leggen van beredeneerde verbanden of door deductie" informatie over iemands gezondheidstoestand kan worden afgeleid.

Het Hof maakt vervolgens een genuanceerd onderscheid. De enkele informatie dat iemand een dopingovertreding heeft begaan en daarom is uitgesloten van wedstrijden, valt in beginsel niet onder het begrip "gegevens over gezondheid". Uit de loutere vaststelling van een regelovertreding kan namelijk geen verband worden gelegd met informatie over de gezondheid van de betrokkene.

Dit ligt echter anders wanneer de publicatie ook de naam of categorie van de verboden stof of methode vermeldt. Het Hof overweegt:

"Niet kan worden uitgesloten dat de vermelding van de naam of de categorie van de betreffende verboden stof of methode, wanneer deze in combinatie met andere elementen wordt vermeld, door het leggen van beredeneerde verbanden of door deductie op zijn minst indirect informatie kan onthullen over de, in voorkomend geval toekomstige, gezondheid van de betrokkene."

Het Hof noemt als voorbeeld de situatie waarin een sporter een verboden stof gebruikt vanwege een bepaalde gezondheidstoestand, maar geen toestemming voor therapeutisch gebruik heeft aangevraagd. De vermelding van die specifieke stof kan dan indirect onthullen dat de sporter een bepaalde aandoening heeft.

Belangrijk is dat het Hof benadrukt dat het begrip "gegevens over gezondheid" niet alleen zit op de huidige gezondheidstoestand, maar ook op de gezondheid in het verleden en de toekomst. Informatie waaruit kan worden afgeleid dat iemand mogelijk gezondheidsrisico's loopt door het gebruik van bepaalde stoffen, kan eveneens onder artikel 9 AVG vallen.

Wat betekent deze uitspraak voor de praktijk?

Het Hof bevestigt dat de context waarin persoonsgegevens worden gepubliceerd bepalend is voor de kwalificatie als gezondheidsgegeven. Dezelfde informatie kan in de ene setting neutraal zijn en in de andere een bijzondere categorie persoonsgegevens vormen.

  • Vermijd specifieke stofnamen: Organisaties die sancties publiceren wegens overtredingen waarbij verboden stoffen een rol spelen, doen er verstandig aan om de naam van de specifieke stof niet te vermelden. Door alleen de overtreding en sanctie te publiceren, blijft de informatie in beginsel buiten het bereik van artikel 9 AVG.
  • Beoordeel de context: Zelfs zonder vermelding van een stofnaam kan informatie in combinatie met andere publiek beschikbare gegevens indirect gezondheidsgegevens onthullen. Verwerkingsverantwoordelijken moeten beoordelen of een gemiddelde lezer "beredeneerde verbanden" kan leggen.
  • Toekomstige gezondheid telt mee: Het begrip gezondheidsgegevens omvat ook informatie waaruit risico's voor de toekomstige gezondheid kunnen worden afgeleid.
  • Strengere eisen bij gezondheidsgegevens: Indien sprake is van gezondheidsgegevens, gelden de voorwaarden van artikel 9, lid 2, AVG. Organisaties moeten dan kunnen aantonen dat een specifieke uitzonderingsgrond van toepassing is.

Deze uitspraak onderstreept dat "beredeneerde verbanden" een breed criterium is. Organisaties die persoonsgegevens publiceren in de context van overtredingen of sancties, niet alleen in de sport, maar ook in andere sectoren, doen er goed aan om te beoordelen of de gepubliceerde informatie in combinatie met de context indirect iets over de gezondheid van betrokkenen kan onthullen.

Misbruik van AVG-rechten: Brillen Rottler in de Nederlandse praktijk

In april 2026 bespraken wij het arrest Brillen Rottler, waarin het Hof van Justitie oordeelde dat ook een eerste inzageverzoek buitensporig kan zijn indien de verzoeker opzettelijk een voordeel wil verkrijgen door kunstmatig de voorwaarden te creëren waardoor dat voordeel ontstaat. Inmiddels hebben Nederlandse rechters dit arrest in de praktijk toegepast. Eind juli 2026 oordeelde de Rechtbank Noord-Holland in vier zaken over inzageverzoeken van dezelfde verzoeker, gericht tegen Suitable, Scapino, At Home en Wolters/Fundesign. Ook de Rechtbank Rotterdam deed uitspraak in een vergelijkbare zaak tegen de gemeente Rotterdam. In alle vijf de zaken werd de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht op basis van het Brillen-Rottler kader.

De feiten: een patroon van verzoeken

De verzoeker in de Noord-Holland-zaken had naar eigen zeggen in anderhalf jaar tijd ongeveer 90 inzageverzoeken op grond van de AVG ingediend bij verschillende webshops. Bij de Rechtbank Noord-Holland waren circa 20 procedures aanhangig, en ook bij de Rechtbanken Rotterdam en Midden-Nederland liepen vergelijkbare zaken.

De werkwijze was in alle gevallen identiek. De verzoeker plaatste een online bestelling of registreerde zich voor een nieuwsbrief. Kort daarna volgde een inzageverzoek op grond van artikel 15 AVG. Binnen enkele weken werden buitengerechtelijke kosten aangezegd van €925,-. Een schikkingsvoorstel volgde onder dreiging van dagvaarding. In de dagvaarding werd vervolgens een hoge schadevergoeding gevorderd, plus buitengerechtelijke kosten en werkelijke proceskosten. Vlak voor of ter zitting werd het verzoek echter steeds verminderd tot alleen inzage, zonder dat hiervoor een deugdelijke toelichting werd gegeven.

De rechtbank constateerde bovendien dat de gemachtigden die namens de verzoeker optraden (met namen als "E. Donkersloot" en "J. Morsink") nooit ter zitting verschenen. De rechtbank uitte twijfels over het daadwerkelijke bestaan van deze gemachtigden en oordeelde dat de verzoeker hun bestaan niet aannemelijk had weten te maken.

In de Rotterdamse zaak was sprake van een nog extremer patroon. De verzoeker had daar 73 afzonderlijke AVG-verzoeken ingediend in vier maanden tijd, bovenop 206 eerdere verzoeken waarop al was beslist. De verzoeken bestonden elk uit meerdere deelverzoeken en waren veelal gericht op dezelfde onderwerpen, waarbij zij zich vaak slechts op kleine details van elkaar onderscheiden. Volgens de rechtbank waren de verzoeken gericht op het heropenen van juridische beoordelingen uit eerdere strafrechtelijke en civielrechtelijke procedures waarin de verzoeker was veroordeeld.

Toepassing van het Brillen Rottler-kader

De Rechtbank Noord-Holland paste het toetsingskader uit het Brillen Rottler-arrest expliciet toe. De rechtbank overwoog dat de lat voor het aannemen van misbruik van recht hoog ligt en dat terughoudendheid is geboden. Niettemin oordeelde zij dat in deze zaken voldoende zwaarwichtige gronden aanwezig waren om tot de conclusie te komen dat de verzoeker misbruik maakte van zijn AVG-rechten.

Als objectieve indicatoren voor buitensporigheid noemde de rechtbank het vrijwillig aanleveren van persoonsgegevens kort vóór het inzageverzoek, het vroegtijdig aanzeggen van kosten en schadevergoeding, het verminderen van vorderingen vlak voor zitting zonder deugdelijke toelichting, het gebruik van nagenoeg identieke dagvaardingen in tientallen zaken, en het indienen van soortgelijke verzoeken bij vele andere verwerkingsverantwoordelijken.

Het subjectieve element, de opzet om financieel voordeel te behalen, leidde de rechtbank af uit dit patroon. Hoewel in beginsel per individuele zaak moet worden beoordeeld of sprake is van misbruik van recht, oordeelde de rechtbank dat de zaken niet los kunnen worden gezien van de andere vergelijkbare zaken die de verzoeker aanhangig had gemaakt. Juist het patroon in de werkwijze en het procedeergedrag droeg in belangrijke mate bij aan het oordeel:

"Uit het vorenstaande kan niet anders worden geconcludeerd dan dat [verzoeker] met gebruikmaking van de mogelijkheden van de AVG welbewust een situatie heeft geconstrueerd die het hem mogelijk maakt van de betrokken bedrijven een schadevergoeding te verkrijgen."

De rechtbank voegde daaraan toe dat zij zich niet aan de indruk kon onttrekken dat de verzoeker misbruik maakte van de onbekendheid van bedrijven met de inhoud en de werking van de AVG en van hun vrees om tot hoge vergoedingen veroordeeld te worden.

De Rechtbank Rotterdam kwam tot eenzelfde oordeel en voegde daaraan toe dat de frequentie van wijziging van de persoonsgegevens zeer laag was. De verzoeken zagen daarmee op een grotendeels statisch geheel aan gegevens, hetgeen het grote aantal inzageverzoeken niet rechtvaardigde.

Procesrechtelijke bijzonderheden

De uitspraken bevatten enkele procesrechtelijke punten die relevant kunnen zijn voor de praktijk.

In de zaak tegen Scapino had de verweerder zich niet uitdrukkelijk beroepen op misbruik van recht. De rechtbank oordeelde desondanks ambtshalve dat er sprake was van misbruik. Dit bevestigt dat de rechter niet afhankelijk is van een verweer van de verwerkingsverantwoordelijke om misbruik van AVG-rechten te sanctioneren.

In de zaken tegen Suitable en Wolters/Fundesign dienden de verweerders tegenverzoeken in, waarin zij onder meer verzochten om een verklaring voor recht dat de verzoeker misbruik maakte van recht en om schadevergoeding. Ondanks de vaststelling van misbruik wees de rechtbank deze tegenverzoeken af. De rechtbank oordeelde dat de verzochte verklaringen voor recht te vaag en te weinig concreet waren geformuleerd en dat de verweerders niet duidelijk hadden gemaakt welk belang zij hadden bij de verklaring. Voor de gevorderde schadevergoeding gold dat de verweerders hun schade niet cijfermatig hadden begroot, waardoor de rechtbank geen aanleiding zag om een bedrag naar billijkheid toe te kennen.

Ook de uitkomsten op het gebied van proceskosten liepen uiteen. Suitable ontving €7.047,97 aan werkelijke proceskosten omdat zij een begroting had overgelegd. At Home ontving €3.874,00 aan werkelijke proceskosten. Wolters/Fundesign ontving daarentegen slechts €2.230,00 op basis van het liquidatietarief omdat geen begroting was overgelegd. Scapino ontving €842,00 omdat werkelijke proceskosten niet waren gevorderd. Dit illustreert dat een veroordeling in de werkelijke proceskosten alleen wordt uitgesproken indien de verweerder deze vordert én een concrete begroting overlegt.

Wat betekent dit voor de praktijk?

Voor verwerkingsverantwoordelijken betekenen deze uitspraken dat weigering van een inzageverzoek op grond van artikel 12, lid 5, AVG mogelijk is indien sprake is van buitensporigheid. Openbaar toegankelijke informatie over het gedragspatroon van de verzoeker mag worden betrokken bij de beoordeling. Indicatoren zoals het vrijwillig aanleveren van gegevens, de korte tijd tussen aanlevering en verzoek, en het vroegtijdig claimen van kosten kunnen wijzen op misbruik. Bij een tegenverzoek of vordering tot schadevergoeding is concrete formulering en cijfermatige onderbouwing vereist, en voor een veroordeling in de werkelijke proceskosten moet een begroting worden overgelegd.

Voor betrokkenen maken deze uitspraken duidelijk dat het inzagerecht geen instrument is om financieel voordeel te behalen. Een patroon van verzoeken bij meerdere verwerkingsverantwoordelijken kan leiden tot niet-ontvankelijkheid, en het vroegtijdig aanzeggen van kosten en het verminderen van vorderingen vlak voor zitting werkt in het nadeel.

Een kanttekening is op zijn plaats. De bewijsdrempel blijft hoog. In alle besproken zaken was sprake van een extreem patroon: 90 verzoeken in anderhalf jaar in de Noord-Holland-zaken en 279 verzoeken in de Rotterdamse zaak. Het is de vraag of een verwerkingsverantwoordelijke die wordt geconfronteerd met een eenmalig verzoek van een onbekende betrokkene voldoende bewijs zal kunnen leveren om buitensporigheid aan te tonen. De uitzondering van artikel 12, lid 5, AVG blijft daarom nog altijd alleen restrictief uit te leggen.

Dit was slechts één van de recente ontwikkelingen. Benieuwd naar meer? Lees hieronder onze Data & Privacy jurisprudentieblog van juli.

Data & Privacy jurisprudentieblog | juli 2026

Terug naar overzicht