In dit blog worden twee recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: ‘het Hof’) besproken die betrekking hebben op de verwerking van persoonsgegevens in de context van gerechtelijke procedures en arbeidsrelaties. Het Hof verduidelijkte onder welke voorwaarden een rechter onrechtmatig verkregen persoonsgegevens als bewijs mag gebruiken en wanneer een werkgever gegevens over de verdachtenstatus van een werknemer in diens personeelsdossier mag bewaren.
In de zaak NTH Haustechnik GmbH tegen EM. heeft het Hof zich uitgesproken over de vraag of een nationale rechter bewijs mag gebruiken dat persoonsgegevens bevat die mogelijk in strijd met de AVG zijn verzameld. De uitspraak biedt een verduidelijking over de verhouding tussen het recht op gegevensbescherming en het recht op een eerlijk proces.
NTH Haustechnik (verzoeker) is een Duits verwarmings- en airconditioningbedrijf. EM (verweerster) werkte bij NTH en was tevens echtgenote van de directeur van NTH. In 2019 werd de arbeidsrelatie tussen NTH en EM beëindigd. Als echtgenote van de directeur van NTH had EM toegang tot de werkplek en computersystemen van NTH. Deze toegang duurde tot de scheiding tussen EM en de directeur in 2022. Na de scheiding ontdekte NTH via medewerker F. (tevens zoon van de directeur en EM) dat EM goederen van het bedrijf voor eigen rekening zou hebben verkocht via eBay. Om dit te controleren verkreeg NTH toegang tot het persoonlijke eBay-account van EM.
Over de wijze van toegangsverlening tot het eBay-account bestaan twee lezingen. NTH stelt dat werknemer F. de inloggegevens van EM vond via de browsergeschiedenis van het computersysteem en een “familiebestand" op de bedrijfsserver van NTH. EM stelt daarentegen dat de directeur van NTH haar zakelijke telefoon als verloren meldde om een nieuwe SIM-kaart te verkrijgen, waarmee hij haar eBay-wachtwoord kon wijzigen. De verwijzende rechter sloot niet uit dat deze gegevensverzameling door NTH onrechtmatig was.
In deze context stelde de verwijzende rechter de volgende prejudiciële vragen aan het Hof:
Aangaande de eerste gestelde vraag van de Duitse rechter oordeelt het Hof dat artikel 6 lid 1 sub c en 6 lid 3 AVG moeten worden uitgelegd als bepalingen die zich niet verzetten tegen de Duitse nationale wetgeving. Hoewel de nationale wetgeving geen invulling geeft aan de manier waarop rechters bewijs met persoonsgegevens mogen verwerken, kan nationale rechtspraak hier volgens het Hof wel invulling aan geven. Hiervoor moet er duidelijke en nauwkeurige nationale rechtspraak bestaan waarvan de toepassing voorzienbaar is, die de omstandigheden en voorwaarden vaststelt waaronder bewijsmiddelen met persoonsgegevens door een rechterlijke instantie mogen worden gebruikt. Daarnaast moet de rechtspraak een doelstelling van algemeen belang dienen en moet de rechtspraak proportioneel zijn aan dat doel.
De verwijzende rechter vroeg of artikel 17 lid 3 sub e AVG (de uitzondering op het wissingsrecht voor de vaststelling, uitoefening of onderbouwing van rechtsvorderingen) een zelfstandige verwerkingsgrondslag vormt. Het Hof oordeelt van niet. Volgens het Hof is de lijst van verwerkingsgrondslagen in artikel 6 lid 1 AVG limitatief. Artikel 17 lid 3 sub e biedt slechts een uitzondering op het wissingsrecht, en dus geen zelfstandige rechtvaardiging voor verwerking.
Het Hof oordeelt dat noch artikel 5 lid 1 AVG, noch andere bepalingen uit hoofdstuk II of III AVG een algemeen en absoluut verbod bevatten voor een rechter om persoonsgegevens te gebruiken die eerder onrechtmatig zijn verwerkt door de partij die deze gegevens heeft overgelegd. Het Hof is van mening dat het recht op gegevensbescherming geen absoluut recht is. Het moet worden afgewogen tegen andere grondrechten, waaronder het recht op een eerlijk proces uit het Handvest van de Europese Unie. Gezien de essentiële functie die het recht op een eerlijk proces vervult in de samenleving, levert de verplichting voor een rechter om alle persoonsgegevens in het overgelegde bewijs te verwerken, geen onevenredige inbreuk op de bepalingen uit het Handvest op. Dit is ook het geval wanneer die gegevens in strijd met de AVG zijn verkregen.
Het Hof nuanceert dat de rechter niet alleen bij verstrekking aan partijen of derden en bij publicatie van de uitspraak, maar ook vóór opname in het procesdossier (nadat de stukken ontvankelijk zijn verklaard) moet controleren dat de verwerkte persoonsgegevens beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de verwerking. Waar passend neemt de rechter maatregelen om de inbreuk op het recht op gegevensbescherming te beperken, bijvoorbeeld door (gedeeltelijke) anonimisering, pseudonimisering of beperkte inzage, zonder afbreuk te doen aan de rechten van de andere partij. Het Hof verduidelijkt daarbij dat het dataminimalisatiebeginsel niet vereist dat de rechter bij elke afzonderlijke verwerkingshandeling een volledige evenredigheidstoets uitvoert. Deze toets kan uitblijven als de verwerking “adequaat, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is” is en de wettelijke basis voor de verwerking al proportioneel is.
Het Hof oordeelt eveneens dat artikel 13 lid 1 en 2 AVG (informatieplicht verwerkingsverantwoordelijke) er niet aan in de weg staat dat een rechter gegevens gebruikt die zijn verzameld door een partij die niet aan haar informatieplichten heeft voldaan. De onrechtmatigheid van de oorspronkelijke verzameling tast de verwerkingsgrondslag van de rechter niet aan.
Het Hof bevestigt dat het feit dat bewijs mogelijk in strijd met de AVG is verzameld, niet automatisch betekent dat dit bewijs ontoelaatbaar is in een civiele procedure. Dit is relevant voor arbeidsgeschillen, handelszaken en andere civiele procedures waarin digitaal bewijs een rol speelt. Tegelijkertijd ontslaat dit de partij die de gegevens heeft verzameld niet van aansprakelijkheid voor de oorspronkelijke AVG-schending. Schadevergoeding op grond van artikel 82 AVG en boetes op grond van artikel 83 AVG blijven mogelijk. Voor rechters betekent de uitspraak dat zij bij de beoordeling van bewijs niet hoeven te toetsen of de verzamelende partij de AVG heeft nageleefd, maar dat zij bij openbaarmaking van het vonnis of verstrekking aan derden wel dataminimalisatie in acht moeten nemen.
In de uitspraak Darashev oordeelde het Hof over de vraag of een werkgever gegevens over de verdachtenstatus van een werknemer in diens personeelsdossier mag bewaren wanneer het strafrechtelijk onderzoek is geschorst zonder dat de werknemer is vervolgd.
CL was politieambtenaar bij het directoraat-generaal “Veiligheidspolitie” en het directoraat-generaal “Nationale politie” van het Bulgaarse Ministerie van Binnenlandse Zaken. In maart 2016 startte het directoraat "Interne Veiligheid" van het ministerie van Binnenlandse Zaken een onderzoek naar een diefstal met geweld. Twee maanden later, op 17 mei 2016, werd CL tijdens een algemene vergadering van zijn afdeling publiekelijk gearresteerd, waarbij hij zijn badge, wapen en dienstpas moest inleveren. CL werd als verdachte onderworpen aan diverse onderzoeksmaatregelen, waaronder een huiszoeking. Ook werd er een identificatieprocedure gestart. In deze procedure werd CL niet herkend door de slachtoffers van de diefstal en werden er geen vingerafdrukken van hem gevonden op spullen van de slachtoffers. Na 24 uur voorlopige hechtenis werd CL vrijgelaten. Verdere vervolging van CL werd gestaakt. Ook het verdere onderzoek naar de overval werd beëindigd. Er kon geen verdachte worden geïdentificeerd. CL hervatte zijn werkzaamheden, maar gegevens over zijn voorlopige hechtenis en verdachtenstatus bleven opgeslagen in zijn personeelsdossier. CL heeft enkele keren gesolliciteerd naar een hogere positie, maar werd steeds geweigerd op grond van zijn verdachtenstatus. CL besloot hiertegen naar de rechter te stappen.
De verwijzende rechter besloot in deze zaak prejudiciële vragen aan het Hof te stellen. De belangrijkste hiervan was of de AVG of richtlijn 2016/680 (kortgezegd: de richtlijn bescherming persoonsgegevens bij politieonderzoek) van toepassing was op de verwerking in het personeelsdossier van de politieagent en of de opslag van de gegevens gekwalificeerd kon worden als verwerking van persoonsgegevens. Daarnaast vroeg de verwijzende rechter of de opslag rechtmatig kan worden gebaseerd op een wettelijke verplichting in de zin van artikel 6 lid 1 sub c en lid 3 AVG, en welke eisen daarbij gelden voor doelbinding, noodzakelijkheid, proportionaliteit en voor de duidelijkheid en voorzienbaarheid van de nationale verwerkingsgondslag. Tot slot vroeg de verwijzende rechter of de werkgever gehouden is de gegevens te wissen op grond van de AVG, met name wanneer het onderzoek is opgeschort zonder vervolging of wanneer de verwerking onrechtmatig is.
Het Hof oordeelde dat de AVG van toepassing is op de opslag van strafrechtelijk verkregen informatie in personeelsdossiers wanneer deze gebruikt worden voor HR-doeleinden. De oorspronkelijke verzameling door het directoraat dat strafrechtelijke onderzoeken uitvoert verandert niets aan het feit dat de verdere verwerking door de werkgever voor personeelsbeheer onder de AVG valt. Het doelbindingsbeginsel is doorslaggevend: zodra gegevens voor andere (niet-opsporings) doeleinden worden verwerkt, geldt de AVG. Dit is ook het geval als dezelfde overheidsinstantie als bevoegde autoriteit de gegevens heeft verkregen.
Net als in het eerder behandelde arrest oordeelt het Hof dat de bewaring van persoonsgegevens alleen rechtmatig kan zijn als deze berust op een duidelijke en nauwkeurige wettelijke verplichting (artikel 6 lid 1 sub c en lid 3 AVG), waarvan de toepassing voor betrokkenen voorzienbaar is, die een doelstelling van algemeen belang nastreeft en proportioneel is aan dat doel. Het Hof verduidelijkt dat die rechtsgrond niet per se een door het parlement vastgestelde wet hoeft te zijn: ook door een minister vastgestelde, bekendgemaakte instructies kunnen dienen, mits zij op een wettelijke bevoegdheid berusten en voldoende duidelijk en voorzienbaar zijn. Daarnaast zijn de algemene beginselen van artikel 5 AVG (o.a. doelbinding, minimale gegevensverwerking en opslagbeperking) van toepassing en rust op de verwerkingsverantwoordelijke de bewijslast om de noodzakelijkheid van de te verwerken persoonsgegevens te onderbouwen.
Het Hof is van mening dat het waarborgen van de integriteit van politieambtenaren een legitiem algemeen belang is. Bewaring van informatie over de verdachtenstatus kan daarom gerechtvaardigd zijn wanneer een onderzoek nog loopt of tot vervolging of veroordeling heeft geleid, bijvoorbeeld om conservatoire of disciplinaire maatregelen te kunnen nemen. Volgens het Hof is het in deze specifieke situatie, waarin het onderzoek is opgeschort en er geen sprake is van belastend bewijs, niet vanzelfsprekend dat deze gegevensopslag noodzakelijk is. De nationale rechter moet nagaan of de nationale rechtsgrond de bewaring van dit soort gegevens in personeelsdossiers daadwerkelijk en voldoende precies dekt, en vervolgens of de opslag evenredig is, inclusief de duur van opslag van de gegevens. Omdat het om gegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten gaat, geldt bovendien artikel 10 AVG. Dit soort gegevens mogen alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of op basis van Unierecht/lidstatelijk recht met passende waarborgen. In deze zaak is aan het vereiste van overheidstoezicht voldaan. Dit brengt met zich mee dat, als de nationale rechter de gegevensverwerking rechtmatig acht, de betrokkene geen recht op wissing kan afdwingen: de uitzondering van artikel 17 lid 3 sub b AVG (verwerking noodzakelijk voor nakoming van een wettelijke verplichting) staat daaraan in de weg.
Voor overheidswerkgevers die zowel opsporings- als werkgeverstaken vervullen (zoals politie, defensie, veiligheidsdiensten) bevestigt het Hof dat HR-verwerking van strafrechtelijk verkregen gegevens aan de AVG moet voldoen. Dat vergt een duidelijke, nauwkeurige en voor de betrokkene voorzienbare wettelijke basis die een legitiem algemeen belang dient en evenredig is, plus aantoonbare naleving van de beginselen van doelbinding, minimale gegevensverwerking en opslagbeperking. Bij opgeschorte onderzoeken zonder vervolging is voortgezette opslag niet vanzelfsprekend; periodieke toetsing van de noodzaak is vereist. Voor werknemers betekent dit dat, zodra de gegevens niet langer noodzakelijk zijn of de verwerking onrechtmatig is, zij in beginsel wissing kunnen verlangen, tenzij een toepasselijke uitzondering dat verhindert.
Benieuwd hoe rechters in vergelijkbare zaken oordelen? Bekijk onze jurisprudentie blogs voor meer actuele analyses.
Meld je nu aan voor één van de nieuwsbrieven van ICTRecht en blijf op de hoogte van onderwerpen zoals AI, contracteren, informatiebeveiliging, e-commerce, privacy, zorg & ICT en overheid.