Misschien heb je de reclamepanelen en billboards al zien hangen in bushokjes langs de weg. Een grote poster met daarop ‘Game Over?!’ is te zien met daarnaast een aantal geblurde foto’s waarop personen onherkenbaar zijn afgebeeld. Dit was de nieuwe grootschalige campagne van Politie Nederland om nepagenten en fraudeurs op te sporen. Het idee erachter was vrij eenvoudig. Foto’s van 100 personen die verdacht werden van het plegen van fraude werden onherkenbaar op internet geplaatst. De verdachten kregen twee weken de tijd om zich bij de politie te melden. Als dit niet gebeurde, werden de beelden vervangen door herkenbare foto’s van de verdachten. Hoewel het delen van deze gegevens een zeer zwaar middel is, hoeft dit niet direct in strijd te zijn met de wetgeving. Waarom kan politie dit doen en op welke grond kan dit dan? In dit blog zal dan ook de vraag centraal staan: wat is opsporingsberichtgeving van de politie en wanneer mag de politie dit middel inzetten?
Het openbaar maken van foto’s of video’s van verdachten is een zwaar middel dat door de politie ingezet kan worden. Dit opsporingsmiddel is niet nieuw. De politie kiest er al jaren voor om het publiek in te zetten om verdachten te identificeren. Het bekende programma Opsporing Verzocht is hier een voorbeeld van. In deze gevallen kiest de politie ervoor om politiegegevens (d.w.z. persoonsgegevens die verzameld worden ten uitvoering van de politietaak), openbaar te delen met het bredere publiek om hulp te vragen bij het verkrijgen van informatie rondom een gepleegd strafbaar feit. De hulpvraag kan op verschillende manieren aan het publiek worden gesteld. Dit kan via tv-programma’s, maar ook via oproepen op billboards en sociale media. Bij de Game Over?!-campagne heeft de politie besloten om al deze middelen gelijktijdig in te zetten.
De politie kan ervoor kiezen dit opsporingsmiddel in te zetten voor waarheidsvinding. De bevoegdheid hiervoor is te vinden in de Politiewet, Wet op de bijzondere opsporingsdiensten en het Wetboek van Strafvordering. Deze wettelijke grondslagen zijn echter op zichzelf niet voldoende. Eerder in dit blog werd al kort aangestipt dat het delen van beelden waarop een verdachte is afgebeeld, gekwalificeerd wordt als het delen van politiegegevens. Dit maakt dat niet de Avg maar de Wet politiegegevens (‘Wpg’) en Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van toepassing zijn. Op grond van de Wpg (met name art. 3, art. 8 en artikel 19 Wpg) mogen politiegegevens worden verwerkt en, onder voorwaarden, worden verstrekt aan derden, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de politietaak, waaronder de opsporing van strafbare feiten. Het delen van de gegevens met personen of instanties sluit aan bij het doel van waarheidsvinding. Toch moet de politie zorg betrachten bij het inzetten van dit opsporingsmiddel. Het delen van de beelden zorgt voor een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. Daarbij speelt mee dat gepubliceerde beelden terechtkomen in het permanente digitale geheugen van het internet. De schade die zou kunnen ontstaan wanneer een onschuldige betrokkene wordt gepubliceerd, kan moeilijk weer ongedaan worden gemaakt. De politie mag deze gegevens daarom alleen delen op voorwaarde dat er een zorgvuldige belangenafweging door de officier van justitie heeft plaatsgevonden, waarbij de vereisten van rechtmatigheid, proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid in acht zijn genomen. In beleidskaders wordt onder meer gekeken naar de ernst van het strafbare feit, bijvoorbeeld of sprake is van een misdrijf met een strafmaat van 8 jaar of meer. Dit vormt echter geen harde wettelijke drempel, maar een nadere invulling van de proportionaliteitstoets. Op basis van deze afweging kan de officier van justitie toestemming verlenen voor het vrijgeven van beelden van de verdachte. Zonder deze toestemming worden de beelden niet openbaar gemaakt. Dit alles brengt met zich mee dat wanneer de verdachte is geïdentificeerd, de noodzaak voor de gegevensdeling vervalt en de beelden weer uit het publieke domein verwijderd moeten worden.
Wanneer er gekeken wordt naar de webpagina van de campagne, kun je deze regelgeving in werking zien. De verdachten die werden getoond, waren in eerste instantie geblurd. Hiermee paste de politie een minder ingrijpend middel toe dan het publiceren van de ongeblurde beelden. Deze werkwijze paste binnen het vereiste van subsidiariteit. De verdachte kreeg in feite een waarschuwing: “Verdachte, let op. Je hebt de kans om jezelf bij de politie te melden, anders publiceren wij beelden van je”. Pas toen de verdachte zich niet binnen twee weken zelf meldde, werd overgegaan tot het tonen van ongeblurde foto’s. De politie ging hiermee gefaseerd te werk. Eerst werd geprobeerd het doel te bereiken met een minder vergaande inbreuk op de privacy van de verdachte. Toen dat geen effect had, werd het zwaardere middel ingezet en werden de beelden ongeblurd geplaatst op internet.
Daarnaast moet de campagne proportioneel zijn. Dat wil zeggen dat het doel de middelen moet rechtvaardigen. Volgens de politie is ook hier sprake van. De slachtoffers van de misdrijven zijn in de meeste gevallen ouderen. Zij worden door deze misdrijven vaak achterdochtig, durven de voordeur niet meer open te doen en worden wantrouwend ten opzichte van politieagenten. Juist om deze groep te beschermen en de ontstane maatschappelijke schade te beperken verkiest de politie om een zwaarwegend middel als openbare opsporing toe te passen. Zelf geeft de politie aan dat in alle 100 gevallen er een individuele belangenafweging heeft plaatsgevonden door de officier van justitie voordat de beelden geplaatst zijn.
Er is ook kritiek op de campagne. Door een verdachte openbaar te tonen, gaat de politie eigenlijk op de stoel van de rechter zitten. De publiekelijke perceptie zal al snel zijn dat de verdachten ook meteen de daders van het gepleegde misdrijf zijn. Dit schuurt met de onschuldpresumptie van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een verdachte geldt immers als onschuldig totdat schuld door een rechter is vastgesteld.
Ten tijde van het schrijven van dit blog heeft de politie daad bij het woord gevoegd en de foto’s van de verdachten gepubliceerd. Van de 100 verdachten werden er in twee weken 27 personen geïdentificeerd. In de week nadat de beelden zijn gepubliceerd zijn er nogmaals 31 verdachten geïdentificeerd waardoor het inmiddels game over is voor 58 verdachten. De personen die geïdentificeerd zijn, zijn van de website verwijderd. In landelijke berichtgeving geeft de politie aan dat de campagne zeer effectief is. Naar eigen zeggen hebben sommige rechercheurs de afgelopen weken overuren moeten draaien omdat tipgevers massaal meedenken.
De Game Over?!-campagne laat zien dat opsporingsberichtgeving een zeer effectief, maar ingrijpend middel is dat alleen binnen strikte juridische kaders kan worden ingezet. De gefaseerde aanpak benadrukt dat de politie probeert te handelen in lijn met proportionaliteit en subsidiariteit, maar maakt tegelijk zichtbaar hoe snel opsporing kan overgaan in publieke veroordeling.
Juist daarin ligt de kern van het vraagstuk: niet óf dit middel werkt, maar wanneer het gebruik ervan nog gerechtvaardigd is. Effectiviteit kan daarbij nooit de doorslag geven. De inzet van opsporingsberichtgeving is alleen verdedigbaar wanneer in het concrete geval overtuigend kan worden aangetoond dat publicatie van beelden noodzakelijk is en dat minder ingrijpende alternatieven niet volstaan.
Heb je vragen na het lezen van dit blog? Neem dan contact met ons op!
Meld je nu aan voor één van de nieuwsbrieven van ICTRecht en blijf op de hoogte van onderwerpen zoals AI, contracteren, informatiebeveiliging, e-commerce, privacy, zorg & ICT en overheid.