Wie filmt, verwerkt persoonsgegevens. Of het nu gaat om een opgenomen kerkdienst of een beveiligingscamera aan de schutting: de AVG is van toepassing. Toch leidt dat niet automatisch tot de uitkomst die betrokkenen voor ogen hebben. In een recente zaak die de rechtbank Oost-Brabant behandelt vordert een dochter schadevergoeding omdat de uitvaart van haar moeder maandenlang online stond. De vordering werd afgewezen, omdat een AVG-schending op zichzelf geen recht op vergoeding geeft. In een andere recente zaak waar de rechtbank Midden-Nederland zich over moest buigen, werd geoordeeld dat particuliere beveiligingscamera’s de AVG-toets alleen doorstaan als ze niet verder kijken dan noodzakelijk, en dat de rechter daar zo nodig technisch op kan toezien. Lees in dit jurisprudentieblog verder over beide zaken.
In november 2018 organiseerde een protestantse gemeente de uitvaartdienst van de moeder van eiseres. De dienst werd gefilmd via een vaste camera in de kerk en live uitgezonden via de website kerkdienstgemist.nl. Na afloop bleef de opname ruim zes maanden online staan. Ook was de opname deze gehele periode nog te downloaden.
Eiseres wist hier zelf niets van. Pas in mei 2019 werd zij door een kennis geattendeerd op het bestaan van de opname. Zij stelde de gemeente direct aansprakelijk, waarna de opname werd verwijderd. Ook diende zij een klacht in bij de Autoriteit Persoonsgegevens (AP). De AP concludeerde dat de gemeente op een aantal punten tekort was geschoten en wees haar op verbeterpunten, zoals een betere cameramarkering bij de kerkdeur, een aanpassing van de privacyverklaring en het opstellen van een toestemmingsverklaring.
Partijen kwamen er onderling niet uit. Eiseres stapte naar de rechter en vorderde in totaal ruim € 12.000, waaronder € 10.000 aan smartengeld.
Eiseres baseerde haar vordering op twee grondslagen:
Beide grondslagen stellen dus hetzelfde vereiste: de eisende partij moet aantonen dat zij daadwerkelijk schade heeft geleden. De kantonrechter besloot dan ook om daar als eerste naar te kijken. En juist op dat punt liep de zaak voor eiseres mis, waardoor de vraag of de gemeente de AVG daadwerkelijk had geschonden of onrechtmatig had gehandeld, onbeantwoord kon blijven.
De kantonrechter erkende dat het voorstelbaar is dat de opname de persoonlijke levenssfeer van eiseres raakte. Maar voorstelbaar is niet hetzelfde als aangetoond. Eiseres had niet geconcretiseerd wanneer en hoe zij in beeld was gekomen, wat er tijdens de dienst over haar of haar moeder was gezegd, of welke concrete negatieve gevolgen zij had ondervonden. Haar emotionele reactie op de situatie was begrijpelijk, maar zonder verdere onderbouwing onvoldoende om schade vast te stellen.
Ook het beroep op het Österreichische Post-arrest[1] hielp haar niet verder. Dat arrest bepaalt weliswaar dat voor immateriële schadevergoeding geen ernst-drempel geldt, maar laat de bewijslast voor het bestaan van schade onverlet. De afwezigheid van een ernst-drempel betekent niet dat schade ook zonder bewijs kan worden aangenomen. Een AVG-inbreuk is geen schade op zichzelf.[2]
De vordering voor bestede uren strandde om dezelfde reden. Eiseres overlegde een overzicht van de uren die zij aan de kwestie had besteed, maar liet na toe te lichten waarom die tijdsbesteding noodzakelijk was en hoe het financiële nadeel causaal samenhing met de gestelde schending. Dat was onvoldoende.
Tot slot: het aanbod ter zitting om de opname alsnog te overleggen, wees de rechter af. De onderbouwingsplicht rustte van het begin af aan op eiseres. Zij had de opname tijdig in het geding moeten brengen, of concreet moeten beschrijven wat zij daarin als privacyschending zag. Dat had zij niet gedaan.
Alle vorderingen werden afgewezen.
Deze uitspraak bevestigt een vaste lijn in de rechtspraak: de ernst-drempel voor AVG-schadevergoeding is laag, maar de bewijslast voor het bestaan van schade verdwijnt niet. Wie een privacyclaim wil instellen, moet die schade concreet kunnen maken.
De souterrainbewoners van een appartementencomplex hadden meerdere camera's geïnstalleerd: op de eerste verdieping van hun leegstaande penthouse, aan de schutting tussen de tuinen en op de buitenmuur van een bijgebouw. De begane grondbewoners vorderden verwijdering of beperking van die camera's. Hun bezwaar: de camera's brachten niet alleen gemeenschappelijke gedeelten in beeld, maar ook hun privétuin.
De souterrainbewoners verdedigden zich met een reeks incidenten. Slangen van de beregeningsinstallatie waren doorgesneden, een band lekgestoken, een Ziggo-kabel doorgeknipt, een warmtepomp onklaar gemaakt, een schutting bespoten met de naam van een concurrent, en zo zijn er nog meer voorbeelden. Op camerabeelden was de buurman van de begane grond te zien bij verschillende incidenten.
De rechtbank hanteert twee verschillende kaders. Cameratoezicht dat verder reikt dan de eigen privégedeelten, maakt in beginsel inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van anderen en is daarmee onrechtmatig, tenzij een rechtvaardigingsgrond dat opheft. Tegelijkertijd kwalificeert het opslaan van camerabeelden van andermans woning of gezamenlijke ruimtes als een verwerking van persoonsgegevens onder de AVG. Dat betekent dat ook de vereisten van artikel 5 en 6 AVG van toepassing zijn: er is een geldige grondslag nodig, en de beginselen van doelbinding, minimale gegevensverwerking, proportionaliteit en subsidiariteit moeten in acht worden genomen. Verder moeten de beelden goed worden beveiligd en mogen ze niet langer worden bewaard dan noodzakelijk.
De rechtbank honoreert het beveiligingsbelang van de souterrainbewoners voor zover de camera's de gemeenschappelijke toegangsweg en parkeerruimtes in beeld brengen. Dat belang is zwaarwegend genoeg om permanent cameratoezicht te rechtvaardigen, ook al worden de begane grondbewoners daarbij incidenteel gefilmd. Dat laatste is proportioneel, zo oordeelt de rechtbank, omdat zij hun woning ook ongefilmd kunnen bereiken via de voordeur. De grondslag is het gerechtvaardigde belang van artikel 6 lid 1 sub f AVG.
Anders ligt het voor de penthouse-camera's. Uit overgelegde stilstaande camerabeelden bleek dat de tuin van de begane grondbewoners daarmee in beeld kon worden gebracht, zelfs als de buurman gewoon in zijn eigen tuin stond. Daarvoor ontbreekt een toereikende rechtvaardiging: er zijn geen incidenten via die tuin geweest en een concreet risico daarop is niet aangetoond.
De rechtbank veroordeelt de souterrainbewoners tot verwijdering of vervanging door één vaste camera, die door een professioneel beveiligingsbedrijf zo moet worden afgesteld dat privégedeelten van de buren buiten beeld blijven. Opvallend praktisch detail: datzelfde bedrijf moet binnen veertien dagen na plaatsing aan de buren tonen wat de camera in beeld kan brengen en schriftelijk verklaren hoe technisch of fysiek is geborgd dat de souterrainbewoners het bereik niet zelf kunnen verruimen. Dat is een effectief middel om naleving af te dwingen zonder voortdurend naar de rechter te hoeven.
Al met al laat deze uitspraak zien dat de AVG-beoordeling van particuliere camerasystemen nauw verweven is met de civielrechtelijke toets van onrechtmatige daad. De proportionaliteit en subsidiariteit worden strikt getoetst: het feit dat buren via een alternatieve route ongefilmd naar huis kunnen, speelt mee in de afweging. Bovendien kan technische borging van camerabegrenzing door de rechter als voorwaarde worden opgelegd, inclusief verificatie door een onafhankelijke derde.
Wil je meer van onze Data & Privacy jurisprudentieblog lezen? Bekijk het vorige blog via de link hieronder.
[1] HvJEU 4 mei 2023, ECLI:EU:C:2023:370.
[2] Zie ook Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22 juli 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:4556, r.o. 3.17.
Meld je nu aan voor één van de nieuwsbrieven van ICTRecht en blijf op de hoogte van onderwerpen zoals AI, contracteren, informatiebeveiliging, e-commerce, privacy, zorg & ICT en overheid.